Toen en nu
24 februari 2026

Deel 2- Geschiedenis van de zuivel in Langezwaag

Deel 2 – Coöperatie, groei en modernisering (1891 – ca. 1930)

Klik hier voor:

deel 1: Van boerderijzuivel naar centrale melkverwerking (19e eeuw – 1891)

deel 3: Oorlog, schaalvergroting en het einde van de fabriek (ca. 1930 – 2025)

Vrije melkmarkt en melkprijzen

De melk die in de particuliere zuivelfabriek aan de Hegedyk werd verwerkt, kwam onder andere uit Donkerbroek, Terwispel en Nij Beets. Er bestonden geen vaste fabrieksgrenzen: iedere particuliere zuivelfabriek kocht de melk die te koop werd aangeboden en waarvoor men een goede afzet had. Dit vrije marktprincipe geldt bij particuliere zuivelfabrieken tot op de dag van vandaag, zoals bijvoorbeeld bij A-Ware in Heerenveen en Vreugdenhil Dairy Foods in Scharsterbrug.

Handmatig melken en aanlevering in melkbussen. Tot ver na 1900 werd de melk tweemaal daags met de hand gemolken en in bussen naar de fabriek gebracht.

In het jaarverslag van De Haan & Co uit 1894 is te lezen dat voor “goede, zuivere, onvervalschte koemelk, aan hunne fabriek te leveren” een melkprijs werd betaald van 7 tot 7,5 cent per 2 liter, afhankelijk van de boterprijs. Rond 1900 werd in de fabriek melk verwerkt van ongeveer 1.200 koeien. Tegenwoordig zijn er in Langezwaag niet veel meer melkkoeien, maar de melkproductie per koe en de vet- en eiwitgehaltes zijn aanzienlijk hoger.

De coöperatieve gedachte

De coöperatieve bedrijfsvorm was al midden 19e eeuw bekend, maar daadwerkelijke initiatieven kwamen slechts langzaam van de grond. In streken waar de sociaal-liberale gedachte voet aan de grond kreeg, gingen minder- en minvermogenden hun krachten bundelen om voor gemeenschappelijke rekening en risico te werken en de winsten te verdelen.

Deze initiatieven kregen een belangrijke impuls met de Wet op de Coöperatieve Vereenigingen van 1876, die coöperaties rechtspersoonlijkheid verleende. Deze bedrijfsvorm werd onder meer toegepast in de woningbouw. In deze periode ontstonden ook coöperatieve spaar- en kredietbanken naar voorbeeld van Raiffeisen, de Duitse burgemeester en grondlegger van de eerste coöperatieve spaar- en kredietbank.

In 1911 werd in Langezwaag de Boerenleenbank opgericht. De eerste zitting vond plaats in het consistoriegebouw, met dominee Natzijl als kassier.

Oprichting van de Coöperatieve Zuivelfabriek Langezwaag

De eerste coöperatieve zuivelcoöperatie in Fryslân begon in 1887 in Wergea met het verwerken van melk. De coöperatieve bedrijfsvorm paste goed bij de zuivelindustrie, waar bij de realisatie van een zuivelfabriek forse en risicovolle investeringen nodig waren.

Rond de eeuwwisseling begon de coöperatieve gedachte ook bij tientallen boeren in Langezwaag en omstreken post te vatten. In 1902 werd de akte van oprichting van de Coöperatieve Zuivelfabriek Langezwaag getekend. Er werd overeenstemming bereikt met De Haan & Co over de overname van de fabriek voor de balanswaarde van ƒ 28.324,64.

De zoon van medeoprichter Izaak de Haan, Wieberen de Haan, werd de eerste voorzitter. Johannes Meijer, assistent bij De Haan & Co, werd aangesteld als eerste directeur.

Bij de start van de coöperatie waren er 97 leden met gezamenlijk 633 melkende koeien. Een jaar later telde de coöperatie al 138 leden, met een melkaanvoer van 3.140.633 kilogram melk. De melkprijs bedroeg toen 8,44 cent per 2 liter.

In 1913 werd voorzitter Wieberen de Haan opgevolgd door B.R. Kielstra. Uit het jaarverslag van 1916–1917 blijkt dat Kielstra zelf 69.896 kilogram melk aan de fabriek leverde en daarvoor ƒ 7.529,08 aan melkgeld ontving.

Productie van boter en kaas

Aanvankelijk werd van de aangevoerde melk uitsluitend boter gemaakt. Later werd, met de uitbreiding van kennis en kunde, ook kaas geproduceerd. De boter werd in eerste instantie verhandeld via de boterwaag in Gorredijk, naast de Hoofdbrug/Kerkwal.

Al snel sloot de zuivelfabriek zich aan bij de Friesche Coöperatieve Zuivel-Export-Vereniging, in de volksmond Frico. Dit coöperatieve handelshuis — een zogenoemde topcoöperatie — werd opgericht in 1898 en verzorgde voor de aangesloten fabrieken, waaronder Langezwaag, de verkoop van boter. In 1908 werd het assortiment uitgebreid met kaas.

Frico ontwikkelde zich in de 20e eeuw tot een van de belangrijkste zuivelexportorganisaties ter wereld. Op de zuivelfabriek in Langezwaag prijkte lange tijd een bord met het Frico-logo.

Het karnlokaal van de zuivelfabriek. Aanvankelijk werd uitsluitend boter geproduceerd; later kwam ook de kaasproductie op gang.

Werkgelegenheid en economische ontwikkeling

De komst van de zuivelfabriek bracht nieuwe werkgelegenheid in Langezwaag en de omliggende regio. Voor het vervoer van melk van boer naar fabriek werden melkrijders en vaarders aangenomen. Aanvankelijk gebeurde dit met paard en wagen en met melkpramen.

Melkvaarders onderweg naar de zuivelfabriek. Over water werd de melk van omliggende boerderijen naar de fabriek vervoerd — een dagelijks terugkerend ritueel.

In de zomer werd de melk tweemaal daags aangevoerd — ook op zondag — en in de winter eenmaal daags. De avondmelk werd buiten in een grote waterbak gekoeld, om ’s ochtends samen met de ochtendmelk naar de zuivelfabriek te worden gebracht.

Voor een goede bereikbaarheid werden wegen aangelegd, zoals de Boerestreek en later de Wijngaarden en de Plasse. Rond de Hegedyk, nabij de zuivelfabriek — in de volksmond ‘de Hoeke’ — ontstond een kleine lokale economie met een bakker, twee kruideniers, twee slagers, een fietsenmaker, timmerman, smederij, wagenmakerij, fouragebedrijf en een café.

Melktransport per paard en wagen. De aanvoer van melk bepaalde het ritme van het dorp — soms was het een hele gebeurtenis.

Deze nieuwe economische activiteit verving deels de werkgelegenheid in de turfmakerij, die door de komst van goedkope steenkool per spoor naar Noord-Nederland na vierhonderd jaar vrijwel verdween. De locatie aan de Hegedyk was ook logistiek gunstig: direct aan de Nieuwe Vaart, met aansluiting op de Opsterlandse Compagnonsvaart en het tramspoor dat langs de fabriek liep.

De Hals van de Wispel — grensgebied tussen Luxwoude en Terwispel. Vanuit deze omgeving werd melk aangevoerd naar de zuivelfabriek in Langezwaag.

Innovatie op het boerenerf

De zuivelindustrie zorgde voor ingrijpende innovaties op het boerenerf. Vanaf het begin van de melkleveranties aan de zuivelfabriek werden boeren en boerinnen verzocht de melk schoon aan te leveren, zonder haren of andere ongerechtigheden die tijdens het handmelken in de emmer konden vallen. Hiervoor werd een melkteems gebruikt: een brede trechter met onderin een zeef en een doek die de ongerechtigheden opving.

Tot na de Tweede Wereldoorlog werden de koeien tweemaal daags met de hand gemolken. In de jaren vijftig kwamen de eerste goed werkende melkmachines op de markt. Tegenwoordig wordt op veel bedrijven gebruikgemaakt van melkrobots, die de koeien meerdere keren per dag automatisch melken.

Vader Tjeerd de Vries en zoon Wietze (1936) tijdens het handmelken in de “Jister”. Tot na de Tweede Wereldoorlog bleef handmelken de dagelijkse praktijk.

In het begin van de 20e eeuw kwam ook het landbouwonderwijs geleidelijk op gang. Met de oprichting van de Landbouwhogeschool in Wageningen in 1918 werden boeren opgeleid in koevoeding, graslandbeheer, diergezondheid en huisvesting. Ook proefboerderijen droegen bij aan de ontwikkeling en verspreiding van betere landbouwmethoden.

Uit melkcontrolegegevens van ongeveer honderd jaar geleden blijkt dat de gemiddelde melkproductie rond 2.500 kilogram per koe per jaar lag, met een vetpercentage van 3,6%. Tegenwoordig ligt de gemiddelde melkproductie rond de 9.000 kilogram per koe per jaar, met een vetpercentage van circa 4,5%.

Les verder in deel 3: Oorlog, schaalvergroting en het einde van de fabriek (ca. 1930 – 2025)

Meer

19 februari 2026
13 februari 2026

Lees meer over

Agenda

Volksdansen
20 februari 2026
Kerkdienst
22 februari 2026
Breicafé
24 februari 2026
Erotische Bingo
28 februari 2026
8 van Langezwaag
28 februari 2026
Kerkdienst
8 maart 2026