Toen en nu
24 februari 2026

Deel 1- Geschiedenis van de zuivel in Langezwaag

Deel 1 – Van boerderijzuivel naar centrale melkverwerking (19e eeuw – 1891)

Klik hier voor:

deel 2: Coöperatie, groei en modernisering (1891 – ca. 1930)

deel 3: Oorlog, schaalvergroting en het einde van de fabriek (ca. 1930 – 2025)

Landbouw in Langezwaag in de 19e eeuw

De landbouw in Langezwaag en omstreken bestond in de 19e eeuw vooral uit gemengde bedrijven. De boerderijen ten zuiden van het Tweede Pad (vanaf de boerderij van Jan Brouwer aan het Lange Ein tot tuincentrum De Bontebok) verbouwden hoofdzakelijk boekweit en rogge. Vooral boekweit bracht een goede prijs op en was de belangrijkste inkomensbron. De graslanden ten noorden van het Tweede Pad werden gebruikt als hooiland en voor het weiden van de koeien; de mest werd benut voor de bemesting van het bouwland.

De roodbonte en blaarkopkoeien waren inmiddels vervangen door de zwartbonte koe, die oorspronkelijk uit Jutland hierheen was gebracht omdat deze beter bestand was tegen besmettelijke veeziekten.

Boterbereiding op de boerderij

De melk van de koeien werd op de boerderij verwerkt tot boter. De verse melk werd in een koele, op het noorden gelegen kelder verdeeld in grote aarden: langwerpige schalen met een inhoud van circa 25 liter. Na ten minste een half etmaal kwam het melkvet bovendrijven; dit werd afgeroomd en verzameld in een vat. Na een etmaal aanzuren kon er worden gekarnd.

Op grotere boerenbedrijven liet men een paard rondjes lopen om de karnmolen aan te drijven. Deze dreef de karnpols aan, die als een soort stamper het vet kneedde, waarna de boter werd verzameld in een botervat voor de verkoop. Op kleinere bedrijfjes was het maken van boter uitsluitend zwaar handwerk. Later vond dit plaats in de zuivelfabriek (hierover meer in deel 2).

Vroege mechanische melkverwerking met separatoren. Door middelpuntvliedende kracht werd het melkvet van de ondermelk gescheiden — een technologische doorbraak die de weg vrijmaakte voor centrale zuivelverwerking.

Kleine boterproducties werden gebruikt als ruilmiddel voor andere voedingsmiddelen. Op grotere bedrijven werden de vaten boter verhandeld op de boterwaag, waar handelaren de boter opkochten, vooral voor export naar Engeland.

Boterhandel, export en welvaart

De boterwaag in Gorredijk, naast de Hoofdbrug, werd gebouwd in 1875. Hier werden boter en graan verhandeld, voornamelijk boekweit en rogge. Midden 19e eeuw werd ruim 40% van de boter via Harlingen geëxporteerd naar Engeland. Dit bracht veel Friese boeren grote welstand, wat zichtbaar was in de fraaie boerderijen — de kop-hals-rompboerderijen — die vooral in de kleiweidestreken nog steeds te zien zijn.

De kwaliteit van de boter liet echter nogal te wensen over, omdat iedere boer zijn eigen bereidingswijze hanteerde. In de tweede helft van de 19e eeuw ondervond de Friese boter bovendien steeds meer concurrentie van zogenoemde ‘kunstboter’. Door technologische en organisatorische vernieuwingen kwam margarine op de markt, die tot grote ergernis van de boeren als boter werd verkocht.

Concurrentie uit Denemarken en veranderende markten

Daarnaast gingen boeren in Denemarken zich organiseren in samenwerkingsverbanden om melk centraal te verwerken en zo te zorgen voor een constante en goede kwaliteit. Hierdoor ontwikkelde zich een technologische voorsprong in de melkverwerking, die de positie van de Friese boeren verder verzwakte.

Rond 1890 bedroeg de export van boter naar Engeland nog slechts 8%. Daar kwam bij dat de graanprijzen in Nederland kelderden door de goedkope import van graan uit Amerika. Door de komst van stoomschepen kon er veel meer en sneller graan worden verscheept.

Zuivelfabrieken en onderwijs in Scandinavië

Met de opkomst van zuivelfabrieken in Denemarken in de jaren 1870 en 1880 kwamen daar ook zuivelscholen en landbouwuniversiteiten om mensen op te leiden in zuivelbereiding en het ontwikkelen van betere landbouwmethoden. Betere voeding en gezondheidszorg voor de koeien zorgden voor een constantere kwaliteit van boter en andere zuivelproducten.

Een delegatie Friese boeren reisde naar Denemarken om met eigen ogen het Deense zuivelsucces te bekijken. De vonk die nodig was om warme aanbevelingen voor centrale melkverwerking mee te nemen naar Friesland, sloeg echter niet over. De studiereis leverde vooral aanbevelingen op voor nieuwe technieken voor handmatige melkverwerking. De Friese zuivel bleef daardoor vooralsnog teren op oude roem, terwijl verbeteringen in constante kwaliteit onvoldoende van de grond kwamen.

De Zuivelschool en technologische vernieuwing

In 1888 werd in Bolsward de Zuivelschool opgericht. Deze was aanvankelijk gericht op zuivelproductie op de boerderij, maar al spoedig verschoof de aandacht naar centrale, fabrieksmatige zuivelverwerking. Deze ontwikkeling werd mede mogelijk gemaakt door een technologische innovatie uit Scandinavië: de separator. Dit apparaat kon door middel van middelpuntvliedende krachten het melkvet van de ondermelk scheiden.

In Nederland importeerde een Groningse handelsfirma deze machine in combinatie met een stoommachine. In 1889 werden daarom al cursussen aangeboden aan (jonge) boeren om zich te verdiepen in biologische, scheikundige en natuurkundige processen en technieklessen die een rol spelen bij de zuivelbereiding.

Izaak de Haan en de eerste zuivelverwerking in Langezwaag

De boerderij van Izaak de Haan aan de Nije Sleat. Naast de boerderij bouwde hij een fabriekje waar hij de melk van eigen bedrijf en omliggende boeren centrifugaal verwerkte — het begin van de zuivelindustrie in Langezwaag.

Vanaf 1884 was het boer Izaak de Haan in Langezwaag (thans familie Hanegraaf, Nije Sleat Jonkersland) die naast zijn boerderij in een schuur de melk van zijn dertig koeien centrifugaal verwerkte tot boter, en mogelijk ook al kaas, met behulp van een stoommachine. Dit blijkt uit een Provinciaal Patentrecht voor het dienstjaar 1888/1889, verleend aan Izaak de Haan, wonende te Langezwaag, voor het exploiteren van een “Boter- en Kaasfabriek”. (Jonkersland was tot 1988 een buurtschap van Langezwaag.)

Al snel kocht hij ook melk van nabijgelegen boeren, mede omdat zijn vier dochters met de nieuwe techniek van melkverwerking het werk goed aankonden. De melk werd tweemaal daags aangevoerd per schouw, paard en wagen, kruiwagen of aan het juk.

De aanwas van nieuwe leveranciers ging zo snel dat er ruimtegebrek ontstond. Dientengevolge werden al spoedig plannen gemaakt voor de bouw van een nieuwe particuliere zuivelfabriek aan de Hegedyk, naast de Nieuwe Vaart. Hiervoor was een forse investering nodig. Met drie medefinanciers — houthandelaar Job Posthuma, arts Jan Buisman Ebbinge en olieslager Sieger Melles — kon de zuivelfabriek echter al in 1891 de eerste melk centraal verwerken.

De stoomzuivelfabriek “De Haan en Co” aan de Hegedyk (1891–1902). Hier werd voor het eerst in Langezwaag melk centraal verwerkt met behulp van stoomkracht.

Lees verder: deel 2: Coöperatie, groei en modernisering (1891 – ca. 1930)

 

Meer

19 februari 2026
13 februari 2026

Lees meer over

Agenda

Volksdansen
20 februari 2026
Kerkdienst
22 februari 2026
Breicafé
24 februari 2026
Erotische Bingo
28 februari 2026
8 van Langezwaag
28 februari 2026
Kerkdienst
8 maart 2026